Vrijstelling successierecht voor pensioen en lijfrente

Klik hier om naar het nieuwsoverzicht te gaan.

Erfgenamen zijn in beginsel over het positieve saldo van de nalatenschap (bezittingen minus schulden) successierecht verschuldigd. Als een erfgenaam pensioenaanspraken, een lijfrente of een periodieke uitkering bij overlijden erft, dan bestaat voor deze verkrijging onder voorwaarden recht op een vrijstelling in het successierecht. De staatssecretaris van Financiën heeft onlangs in een besluit een toelichting gegeven op de vrijstelling in het successierecht voor pensioen- en lijfrenteregelingen. Hieronder volgt een overzicht.

1. De pensioenregeling Voor de pensioenvrijstelling in het successierecht geldt in beginsel de pensioendefinitie van de loonbelasting. In 1999 is deze pensioendefinitie aangepast en is tevens een overgangsregeling ingevoerd die tot 1 juni 2004 liep. De staatssecretaris geeft aan dat de pensioenvrijstelling in het successierecht ook geldt voor pensioenregelingen die onder deze overgangsregeling vallen. Vanaf 1 juni 2004 is voor de pensioenvrijstelling echter van belang dat de pensioenregeling daadwerkelijk aan de nieuwe pensioendefinitie is aangepast. Als de regeling niet is aangepast dan geldt vanaf 1 juni 2004 ook de vrijstelling in het successierecht niet meer. De staatssecretaris merkt op dat pensioenregelingen waar geen premies meer aan worden gedoteerd, niet hoefden te worden aangepast. Voor deze bestaande regelingen blijft de bestaande vrijstelling in het successierecht wel gelden. Hierbij geldt wel als voorwaarde dat in de opbouwperiode van het pensioen sprake moet zijn geweest van een pensioenregeling volgens de loonbelasting.

2. De lijfrentevrijstelling De vrijstelling voor lijfrenteverzekeringen is in 1995 in de Successiewet ingevoerd naar aanleiding van de Brede Herwaardering. De staatssecretaris geeft aan dat de vrijstelling ook kan gelden voor lijfrentecontracten die vóór 1992 zijn afgesloten. Deze moeten dan in het verleden zijn aangepast aan de regels van de Brede Herwaardering.

Met de invoering van de nieuwe inkomstenbelastingwet in 2001 is de definitie waarnaar in de Successiewet wordt verwezen gewijzigd. De staatssecretaris is echter van mening dat de lijfrentevrijstelling ook kan gelden voor een verkrijging vanaf 2001 van een lijfrente die slechts voldoet aan de definitie zoals deze gold van 1992 tot en met 2000 in de inkomstenbelasting. Een lijfrente die voldeed aan de wettelijke definitie voor de vrijstelling tot 2001 blijft dus ook onder de huidige lijfrentevrijstelling vallen. Hierbij moet het echter wel gaan om lijfrentecontracten die vóór 2001 zijn afgesloten. De staatssecretaris merkt op dat als premies na 2001 zijn gestort de lijfrente in beginsel wel moet voldoen aan de nieuwe definitie. Echter voor de beperking van administratieve lasten heeft hij al eerder goedgekeurd dat aanpassingen van polissen achterwege kan blijven tot het tijdstip waarop het polisblad waarop de lijfrente is omschreven door andere redenen door de verzekeraar wordt aangepast.

Bron: Ministerie van Financiën, 5-7-2004, nr. CPP2004/1541M, (vrijgegeven ter publicatie op 9-7-2004)

Bron: PriceWaterhouseCoopers